vrijdag 14 februari 2014

Olympische Winterspelen

Ze zijn in volle gang, de Olympische Winterspelen in het bloedhete Sotsji. In de aanloop naar dit evenement heb ik al een beetje kunnen wennen aan het feit dat deze Spelen de duurste aller Winterspelen zijn. Sterker nog. Ze zijn duurder dan alle voorgaande edities bij elkaar. Dat ze worden gehouden op een locatie met een subtropisch klimaat is ook al geen nieuws meer. De langlaufers treden met korte mouwen aan en de sneeuw is ingevlogen van plekken waar het wél koud is. Dat de Russische president een homofoob is en het IOC zich niets aantrekt van mensenrechten is ook oud nieuws.

Althans, dat dacht ik totdat ik het dubbelrodelen zag.
 
Volgens mij is het dubbelrodelen speciaal voor deze spelen bedacht maar wordt aan Poetin verteld dat deze sport al sinds de oude Grieken wordt beoefend. Tijdens het dubbelrodelen liggen twee mannen plat op elkaar op een sleetje dat zich met een duizelingwekkende snelheid naar beneden werkt. Dubbelrodelen is niet de enige sport waarover ik me verbaas tijdens deze Spelen. Een variant op het rodelen is het skeleton. Bij de beoefening van deze sport ligt de atleet met zijn buik op een ieniemini-sleetje en knalt op deze manier met zijn kin vlak boven het ijs naar beneden. Zo lijkt elke skeletonrit, waarbij de atleet in goede gezondheid over de finish komt, op een mislukte zelfmoordpoging.

Het snowboard-onderdeel waarbij de heren en dames in veel te grote broeken de meest idiote  stunts uithalen (threetwentysixtybackflipturn) op een halfpipe van ijssneeuw, vind ik al even opmerkelijk. Bij dit onderdeel ga je kennelijk net zo lang door totdat je er een dwarslaesie of minstens een verbrijzelde knieschijf aan overhoudt. De een na de ander maakt een doodssmak om vervolgens op het jurybankje te gaan zitten en te wachten op de cijfers die ze kregen voor deze bijna-doodervaring.

Bij het ijsdansen voor koppels worden de vederlichte dames door hun bonkige, mannelijke danspartners zo ongeveer het stadion uitgeflikkerd en als het kunstschaatsen voor heren al niet aan het begin van de vorige eeuw op de Olympische agenda had gestaan, had ik ook hiervan gedacht dat het IOC op deze manier een lange neus wilde maken naar Poetin en co.

O ja, en er is ook nog curling. Dat is een soort jeu de boules voor blinden en slechtzienden. Het is alleen wel een beetje lastig omdat het op ijs is maar om dit probleem te tackelen proberen een aantal mensen zo hard over het ijs te bezemen dat het ijs er trager door wordt en de ‘puck on steroids’ er langzamer van gaat glijden. Dat zou natuurlijk niet nodig hoeven te zijn als je het gewoon buiten op de parkeerplaats zou doen maar dan is het weer geen wintersport.

En toch zijn de Spelen geslaagd. Nu al. Sterker nog. Ik zou er een dikke strik omheen doen en de Spelen afsluiten want mooier dan dat het nu is wordt het niet meer. Een paar dagen geleden won Stefan Groothuis goud op de 1000 meter. Groothuis werd meestal vierde maar veel, en veel erger dan dat was zijn depressie waarover hij openlijk vertelde in het programma ‘Recht uit het hart’ van de KRO. Voor iemand die uit dit diepste dal klimt en zich boven op de Olympus laat kronen met het goud kijk ik graag twee weken naar dubbelrodelen, skeleton, snowboarden, ijsdansen en zelfs, ja, zelfs naar curling.

 

donderdag 6 februari 2014

Pleidooi voor de fantasie


Dit is José Alvarenga. Hoewel hij er misschien uitziet als een clochard is hij dat niet. Dat bewijs wordt niet geleverd door het coca-colarood van het blikje in zijn hand maar door zijn verhaal dat hij vertelde toen hij werd gevonden op een van de Marshall-eilanden. Dat is opmerkelijk omdat hij zegt te zijn afgedreven op een klein vissersschuitje in de buurt van Mexico. Alvarenga heeft naar eigen zeggen dertien maanden op zee gedobberd en kon overleven door het eten van rauwe vis en het drinken van schildpaddenbloed en zijn eigen urine.  Het is aan dit dieet te danken dat hij 10.000 kilometer verder dan dat hij vertrokken was, en als een ogenschijnlijk verwilderde man, op het strand van een klein eilandje werd geblazen.

De Volkskrant van vandaag is er niet uit of Alvarenga een moderne Odysseus is of een fantast. Dat maakt mij ook niet uit. Voor mij staat vast dat het een prachtig verhaal is. Omdat we alles kunnen onderzoeken en nachecken, en als wij dat zelf niet doen dan doen de AIVD of NSA het wel, verliest de fantasie zienderogen aan terrein. De fantasie wordt niet of nauwelijks meer getriggerd omdat deze letterlijk kapot kan worden gecheckt. Herman Finkers roemt in zijn laatste voorstelling de man die hem bijbracht dat een boom zoveel meer is dan een zuurstoffabriek, iets wat hem voor die tijd geleerd was. Toen ik als medewerker op buitenschoolse opvang werkte kreeg ik de meest fantasierijke tekeningen onder ogen die van alles voorstelden wat ik niet direct uit het kunstwerkje haalde. En dat is prachtig. Wanneer we ouder worden komt de fantasie steeds meer in de verdrukking door de realiteit. Alles wordt meetbaar, zichtbaar en het meeste ook betaalbaar. Het oneindig kleurenpalet uit de jeugd wordt teruggebracht door de zeven kleuren van de regenboog, het zwart en het wit en het grijs er tussenin.
 
Daarom een pleidooi vóór de fantasie. Een pleidooi vóór het verhaal waarin Alvarenga niet alleen overleefde door middel van rauwe vis, schildpaddenbloed en zijn eigen urine maar ook door de weg te vragen aan voorbij komende vliegende vissen. Doordat hij een heroïsch gevecht won met een nog niet ontdekte reuzeninktvis.  Een pleidooi voor het feit dat hij kon overleven door elke avond hetzelfde gedicht op te zeggen dat zijn moeder hem had geleerd door het avond aan avond, voor het slapen gaan, voor te lezen. En tot slot omdat de naam van het eilandje Ebon waar hij aanspoelde, dezelfde naam was als die van zijn eerste vriendinnetje. Het meisje aan wie hij zich op zeventienjarige leeftijd voor het eerst gegeven had.

In onze wereld, waarin de natuur langzaam opgegeten of gecultiveerd wordt en je status (en het delen daarvan) alsmaar belangrijker wordt, biedt de fantasie uitkomst, lucht een zuurstof. Zuurstof die wordt geproduceerd om de bomen om ons heen. Maar dat is, zo leerde Finkers ooit, gelukkig niet het enige dat ze doen.

dinsdag 10 december 2013

Jente

Jente was de oudere neef van Maarten met zijn hoge stem. Jente woonde niet in ons dorp maar in een enorm grote stad en Maarten met zijn hoge stem woonde nog maar kort bij mij in de buurt. Import dus. En met een hoge stem. Dat is geen gemakkelijke binnenkomer in een klein dorp met al zijn kritische kinderen waar ik er, met mijn tien jaren, een van was. Maar als Jente bij Maarten met zijn hoge stem was veranderde er iets. Maarten was twee jaar jonger dan ik, Jente één. Maar Jente was wel tien jaar stoerder dan ik was. Midden in ons buurtje lag een speeltuin met als voornaamste attractie zand. Totdat Jente een keer langs kwam. Hij maakte in de speeltuin een crossbaan. Heuveltjes, scherpe bochten en mul zand schoten onder de wielen van zijn fietsje door. Terwijl de zon langzaam onderging en de geur van vochtige coniferen de lucht bezwangerde scheurde Jente met een rood hoofd door de speeltuin. Ik keek er vol ontzag naar. Niet alleen naar Jente maar ook naar Maarten met zijn hoge stem want hij had een neef zoals Jente.

Zevenentwintig jaar later rijd ik op mijn gloednieuwe moutainbike over een speciaal aangelegd parcours in de Zandvoortse duinen pal naast het circuit. Ik waan me een beetje als Jente terwijl ik mijn hippe fiets over de smalle paadjes jaag en tegen de steile duinen op. De geur van coniferen heeft plaats gemaakt voor die van de gevaarlijk uitziende duindoornstruiken waarin het ongetwijfeld slecht vallen is. Ik ben weer even tien en minstens zo stoer als Jente die net als ik zijn benen afmat om de fiets nóg sneller te laten rollen. Een paar keer val ik en hoop op zichtbare maar niet al te pijnlijke wondjes als stille getuigen van mijn avontuur in de speeltuin aan zee.

Op Facebook zie ik dat Maarten met zijn hoge stem inmiddels in Londen werkt en een kindje heeft. Ik vermoed dat zijn stem een aantal octaven is gedaald. Jente, zo zie ik, woont in Amsterdam en kijkt nog altijd even stoer op zijn profielfoto als dat hij deed vlak voordat hij een zandheuveltje aanviel in de speeltuin. Ik ben zevenendertig en voel me, dankzij mijn fiets, het parcours, Jente, Maarten met zijn hoge stem, de speeltuin, de coniferen en de duindoorns een superstoer jongentje dat precies doet wat hij wil; keihard met een fiets door het zand scheuren.

 

zaterdag 7 december 2013

Iemand nog koffie?


Toen ik in 2004 als redacteur aan de slag ging voor een nieuw programma van Paul de Leeuw had ik kort daarvoor, als redacteur van een ander programma, Rowan Atkinson een hand gegeven. En ja, daar was ik erg trots op. Zo trots dat ik het graag wilde delen met mijn collega’s op de redactie van het programma PaPaul. Voordat ik Atkinson een hand schudde had ik mezelf eerst mooi aangekleed en was ik naar de première van zijn film ‘Johnny English’ in het prachtige Tuschinski gegaan. Na afloop van de dramatisch slechte film, waarbij ik meerdere malen tegen de slaap vocht, was er een zogenaamde afterparty in Hotel de l’Europe waar ook de ster van de avond zelf aanwezig zou zijn. Even binnen zag ik hem gauw staan. In een hoekje met een drankje in de hand stond Atkinson wat obligate praatjes af te werken met mensen die net als ik zich een weg door de film hadden geworsteld. Toen hij even alleen stond en een slok uit zijn glas wilde nemen zag ik mijn kans schoon. “Good evening mister Atkinson, congratulations with this beautiful movie you’ve made”, huichelde ik in mijn beste Engels. Tegelijkertijd stak ik mijn hand uit. Hij beantwoordde mijn hand automatisch en zei: “Yes, thank you, the movie is allright”. Iets eerlijker kon ik nu beamen dat de movie inderdaad allright was. Het benaderde in ieder geval meer de waarheid dan het compliment waarmee ik op hem af was gestapt met als enige doel een hand van hem te krijgen.

Natuurlijk was het verhaal dat ik in mijn hoofd had om aan mijn nieuwe collega te vertellen niet helemaal waarheidsgetrouw. Ik zou haar niet vertellen dat ik als een roofdier had staan wachten tot de prooi Atkinson even alleen stond zodat ik hem, met een leugen als excuus, een hand kon geven. Nee, ik had de acteur gewoon ontmoet na afloop van zijn film, een kort praatje met hem gemaakt en, o ja, en passant ook nog een hand gegeven.

Om mijn verhaal een beetje in te kleden wilde ik eerst mijn collega vragen wie dan wel de beroemdste persoon was die zij ooit een hand had gegeven. Zodat ik, als zij Danny de Munk, Frans Bauer of Henk Jan Smits had gezegd, het kon toppen met Rowan Atkinson.

Nadat ik mijn vraag gesteld had dacht ze even na. “O”, zei ze toen, “dat was in de periode dat ik een programma maakte met Ruud Gullit.” ‘Ruud Gullit’ dacht ik even bezorgd maar daarna was ik ervan overtuigd dat Atkinson toch echt wel groter was. “Ruud Gullit dus. Of een andere voetballer?”

“Nee”, zei ze terwijl ze voor zich uit naar het beeldscherm bleef kijken en haar vingers over de toetsen van het toetsenbord dansten. “Nee, ik was daar met Ruud Gullit.” Een beetje ongeduldig geworden vroeg ik haar wie dat dan wel was. Ik moest namelijk zelf ook door met werken en wilde mijn ontmoeting met Atkinson met haar delen. “Wie dan?, vroeg ik.

Ze keek even op van haar beeldscherm, haar vingers stopten met dansen toen ze zei: “Nelson Mandela. Bij hem thuis in Zuid-Afrika.”

Ik probeerde weg te sluipen bij haar bureau. Ze had verdorie de allergrootste ontmoet. “En jij”, vroeg ze nog heel lief en geïnteresseerd.

“Ah joh, laat maar, niet belangrijk toch… Iemand nog koffie?”

donderdag 25 juli 2013

Man met scootmobiel

Het is al bijna weer een jaar geleden dat E. overleed na ‘een kort ziekbed’. Dat van dat korte ziekbed is nogal een eufemisme want het bed stond amper in de kamer toen E. al stierf.

Regelmatig denk ik aan hem. Als ik zijn foto zie in mijn kast die we kregen na de uitvaart. Maar ook als ik in Haarlem een hele dikke man, wiens hoofd naadloos overloopt in zijn dikke nek, zie rondrijden op een scootmobiel. Deze dikke man zag ik voor het eerst rijden vlak nadat ik het doodsbericht had ontvangen. Mijn eerste gedachte was ‘waarom hij niet en waarom E. wel’. E. was nog geen zestig, stond midden in het leven en had tot vlak voor zijn dood een knetterende gezondheid waardoor hij onder andere per ligfiets van Cairo naar Kaapstad kon  reizen. Dwars door Afrika.
De dikke man in de scootmobiel zou de grenzen van Haarlem waarschijnlijk niet eens bereiken met zijn gemotoriseerde voertuig; laat staan met een fiets. Voordat E. overleed had ik de man in de scootmobiel nog nooit gezien, althans, hij was me niet opgevallen. Nu wel, nu zie ik hem elke week wel ergens rijden. Langs het Spaarne, door de Grote Houtstraat, door het leven.

Het afgelopen jaar sloeg mijn frustratie wanneer ik hem zag om in dankbaarheid. E. is dood en komt niet meer terug. Ook niet als de dikke man in de scootmobiel zijn wagentje onder een bus parkeert of hij ten onder gaat aan zijn eigen lichaamsgewicht. Elke keer als ik hem nu zie rijden is E. weer even terug in mijn gedachten. Even minder dood. Dat is het kleine, onbewuste, cadeau dat de man met zijn scootmobiel mij geeft. Dood ben je pas als je bent vergeten zong Bram Vermeulen. Ik hoop dat de man in zijn scootmobiel nog lang niet dood gaat.

maandag 8 juli 2013

Mr Ed

‘Misschien’, zei ik tegen mezelf, ‘misschien zit er wel een klein blogje in’. Dit bedacht ik me toen ik gisteren wegfietste bij Mr Ed in het landelijke Burgerveen. Mr Ed is de uitbater van een lokale horecagelegenheid en in deze dus niet het sprekende paard, alhoewel enige uiterlijke overeenkomsten wel in het oog springen.

Het interieur van deze cafetaria stamt nog uit de tijd dat mensen zonder enige vorm van creativiteit én gebukt onder een lichte depressie aan de slag gingen met de inrichting. Op de grond ligt bruin tapijt dat zo stug is als paardenhaar en dat er al lag toen ik in 1976 werd geboren.  De houten stoelen bij de tafels, waar dikke Perzische kleedjes op liggen, hebben nooit lekker gezeten.
Kijkend naar het interieur, en daaruit concluderend dat de zaak niet echt met de tijd was meegegaan, informeerde ik of ik met pin kon betalen. Dat kon. Revolutie! De dame achter de met tl verlichte vitrines waarin de snacks geduldig op het frituurvet lagen te wachten vroeg mij wat ik wilde drinken. Een koffie en een cappuccino antwoordde ik.
‘Mot je er niks bij ete?’ Ik keek naar links. Daar stond Ed, hoekig, onvriendelijk, nors, die mij kennelijk net gevraagd had of ik ook bij de koffie iets wilde gebruiken. Ik keek naar de vitrines. Naast de diepgevroren frikadellen en kroketten lagen er ook de slaatjes die in de jaren ’80 óntzettend populair waren. Omdat het slaatje vooral bestond uit een bol huzaren salade met daarover een diarreedunne mayonaise, een vochtig ei en wat fijn gesneden worteltjes, bedankte ik vriendelijk. Ed zuchtte opzichtig. Ik maakte aanstalten om de automatenkoffie met pin af te rekenen. Ed schuifelde dichterbij en siste de vrouw toe dat ze wel moest vragen of de klanten niet ‘contant kenne betale’. Ze antwoordde dat ik speciaal had gevraagd of ik met pin kon betalen. Voor Ed was dit nog niet genoeg. ‘Ja maar’, vervolgde hij, ‘de meeste mense hebbe wel cash bij zich hoor.’
Ik niet Ed, ik niet.
Vlak voor vertrek ging ik even naar het toilet. Naast de ingang zaten twee mensen lusteloos naar de fruitautomaten te kijken waar ze al sinds 1963 van alles inwerpen. Eerst guldens, daarna euro’s en tenslotte hun geluk. Mijn vriendin vertelde dat bij de damestoiletten een van de twee wc’s was gereserveerd voor het personeel. Ik dacht even terug aan de vrouw achter de vitrines. En aan de slaatjes. Het eten van zo’n slaatje, zo bedacht ik me, staat garant voor twee uur ongekend plezier op het toilet. Dan is het wel zo lekker om op je eigen toilet los te kunnen gaan.
We klikten ons weer vast in de pedalen van onze racefietsen. Terwijl de zon steeds feller begon te branden dacht ik nog even terug aan Mr Ed en zei ik tegen mezelf  ‘misschien zit er wel een klein blogje in’.

donderdag 20 juni 2013

Woordgeboorte

Op straat kwam hij me tegemoet lopen. Over zijn bolle buik spande een t shirt dat net niet de onderste rand van het buikvel aan het gezichtsveld kon onttrekken. Zijn lange, vette haren kregen nog een extra glans door de motregen. Ik schatte hem op een jaar of veertig.

Onder zijn ogen had hij wallen waar een middelgroot plezierjacht met gemak aan kon meren. In zijn mondhoek had hij wat shag. Niet opgerold tot een sigaret maar gewoon een bruin, nat plukje. Zijn baardje deed me denken aan volstrekt willekeurig opgeplakte kruimels ontbijtkoek.
Nog net te ver weg om te lezen welke tekst er op zijn shirt stond, het leek maar een woord, hoogstens twee, werden naast hem wel de contouren van een vrouw zichtbaar. Ze was klein, dik en droeg een te groot lichtblauw spijkerjack. In haar rechterhand hield ze een hondenriem. Hoe ik ook keek en zocht, een hond was nergens te bekennen.
De twee kwamen dichterbij. De kleur van het t shirt van de man bleek hemelsblauw te zijn. De opdruk gifgeel.
Langzaam werden de dansende letters op het shirt omgesmeed tot een woord.

In capitalen stond er EINDBAAS.

En toen realiseerde ik me dat dit hét beeld móet zijn geweest dat de persoon voor zich zag toen hij het woord 'tragikomisch' bedacht.

maandag 10 juni 2013

Karten

Gisteren ging ik in Groningen langs bij een van mijn beste vrienden. Hij heeft eind vorig jaar de Liefde van zijn leven ontmoet en ik had haar, tot mijn milde schaamte, nog niet ontmoet. Na een uitgebreide lunch aan de keukentafel, waarbij overduidelijk was dat de twee elkaar voor altijd hadden gevonden, ging zij op stap en besloten G. en ik om te gaan karten. Om te gaan karten ja. Dit deed ik een keer eerder in mijn leven en toen was het geen succes. Ik had op dat moment nog geen rijbewijs en gaf dus gas vóór, en remde ín de bochten. Nu, met een rijbewijs op zak, zou dat vast heel anders gaan.

Omdat het zondag was, en er weinig mensen op de kartbaan waren, was de wachtruimte gesloten. We konden daarom onze beurt afwachten in de kantine van de aangrenzende bowlingbaan. Op de bowlingbaan stonden drie vormeloze vrouwen, onder nietsontziend tl licht, met een noodvaart de zware ballen een voor een in de goot te gooien. Een prestatie op zich. Dwars door de zware lucht van hamburgers en kroketten heen kwam een buitengewoon vriendelijke medewerker van de kartbaan ons de basisprincipes uitleggen van het karten. G. doet het vaker en kent de baan maar voor mij was het nieuw. De laatste, en dus enige keer, is ruim 17 jaar geleden en deze heb ik, waar mogelijk, vakkundig uit mijn geheugen proberen te wissen. En sinds gisteren weet ik ook wel weer waarom.
Er was ons verteld dat, als je hard reed, het rondje in 52 seconden kon afleggen. 56 seconden was ook een knappe tijd en als je binnen de minuut bleef viel je niet uit de toon bij de rest. Grappend zei ik tegen de instructeur dat mijn eerste rondje dan waarschijnlijk 1.10 zou gaan duren. Dat zou echt een wijventijd zijn merkte hij op. Mijn eerste ronde reed ik in 1.36.

Van de vijf karts op de baan was de mijne met afstand de langzaamste. Of dit aan de kart of aan de chauffeur lag laat ik natuurlijk in het midden. Na talloze malen te zijn ingehaald door jongens die nog niet geboren waren toen ik al op kamers ging wonen zat de eerste heat erop. Door de botsingen met de boarding en een sympathiek kusje op mijn achterbumper van een ongeduldige coureur, hees ik mij gebutst op uit de kart. Nadat ik mijn helm had afgezet, waaronder, zo bedacht ik me tijdens het rijden, honderden opgeschoten pubers als een dolle hadden zitten zweten, liep ik op G. af die ontspannen een praatje stond te maken met een medewerker van de kartingbaan. ‘Klaar voor de volgende keer?’, vroeg hij. We hadden namelijk twee heats gereserveerd maar al tijdens de eerste was voor mij duidelijk geworden dat het ook bij een heat zou blijven. Het ging me te hard, te laag bij de grond ook en om mij heen leek iedereen Michael Schumacher en was ik iemand die tijdens zijn eerste rijles voorzichtig kennis maakte met het drukke verkeer. G. was zo sportief om ook zijn tweede heat niet meer te rijden en zo kwam het dat we, waarschijnlijk als een van de weinigen, ons startbewijs weer inleverden.
Buiten, op de parkeerplaats, stond de auto waarmee ik uit Haarlem naar Groningen was komen rijden. Een stoere Daihatsu Cuore die ik van mijn ouders had geleend. Met G. op de passagiersstoel trapte ik het gas maar eens vol in waardoor we met piepende bandjes wegschoten. Een kleine tien minuten later zaten we op het Akerkhof aan de muntthee. Met honing. Voor mij wel weer mans genoeg.

Schumacher meets Daft Punk. Maar dan helemaal niet.



donderdag 30 mei 2013

Le Géant de Provence

Dertien dagen geleden maakte ik me in het Franse Bédoin op voor de beklimming per fiets van de Mont Ventoux.  Le Géant de Provence, de Reus van de Provence. Om de enorme berg, eenzaam gelegen zonder prehistorische wolkenkrabbers om zich heen, hangt een welhaast mythische mist. Letterlijk en figuurlijk. De top ligt vaker in de wolken dan dat hij ze wegkust. Vlak onder de top, als de bomen het hebben opgegeven en de weg over de berg kaal en kleikleurig omhoog slingert, staat het monument voor de overleden wielrenner Tom Simpson. Halverwege de jaren zestig werd de coureur, overmand door de totale uitputting, door omstanders van zijn fiets getild omdat hij er even later dood van af zou zijn gevallen. De dood konden de toeschouwers niet meer stoppen. Hij was al in hun midden en hoefde alleen nog maar bij de fietser neer te knielen. Omringd door een aureool van wielerliefhebbers stierf de Brit en maakte van de Mont Ventoux en van zichzelf een legende.

Voor aanvang van de klim werden we gewaarschuwd voor de weersomstandigheden. Heel in de verte kwam een donker dekbed door de hemel aandrijven maar de top van de berg zelf was vanuit Bédoin goed te zien. De ruim 21 kilometer lange klim begon relatief gemakkelijk. Na vier kilometers door open velden vol klaprozen te hebben gefietst maakt de weg een scherpe bocht naar links en doemde Het Bos op. Het Bos is een grote slapende sluipmoordenaar met een lengte van twaalf kilometer en een stijgingspercentage dat niet onder de negen procent uitkomt. De moordenaar kan elk moment wakker worden en het is zaak om rustig op je fiets te blijven zitten en in stilte te stijgen. Elke kilometer die je dichter bij de top komt wordt gemarkeerd met een paaltje waarop de nog af te leggen afstand staat samen met het stijgingspercentage van de komende kilometer. Met de kilometerpaatjes als stille getuigen heb ik in Het Bos een aantal keer overwogen om af te stappen. Het was te zwaar, te lang, te uitzichtloos ook. Achter elke bocht doemde een nieuwe strook asfalt op. Even genadeloos als de vorige en minstens zo lang ook. Na een kilometer of zes in Het Bos had ik een tempo te pakken. Het was veel langzamer dan ik beoogd had maar dat was op niets gebaseerd. Nooit eerder beklom ik een berg waardoor een gemiddelde van tien kilometer per uur een idylle bleek te zijn. In een fors wandeltempo herpakte ik mezelf en naderde de kruinen van de loofbomen. Met elke meter die ik klom daalde de temperatuur.
Op zes kilometer onder de top, als de contouren van het beroemde Chalet Reynard zichtbaar worden, neem je de sprong van de aarde naar de maan. De alles vernietigende wind die om de berg heen raast heeft boven de boomgrens de berg kaal geslagen tot een maanlandschap.  In de verte doemde de top al op. Ik was ervoor gewaarschuwd; de top zien betekent niet dat je er ook al bijna bent. Halverwege de maan, tussen de aarde en de top, begon het te sneeuwen. Voorzichtige vlokken verkenden de omgeving waarin ik reed. Nadat de vooruitgeschoven troepen het signaal hadden doorgegeven dat de kust veilig was scheurde het grijze dekbed boven mijn hoofd los en liet haar witte vlokken eindelijk los. Het zicht was inmiddels teruggebracht tot niet meer dan twintig meter. Om mij heen veranderde de flanken van de berg in grote witte bladzijden waarop ik mijn verhaal aan het schrijven was. Mijn verhaal dat met een later invallende dooi zou wegsmelten maar waarvan de blauwdruk voor altijd in mijn hoofd gegrift staat.

Rechts van mij ontwaarde ik het monument voor Tom Simpson. Met nog 800 meter te gaan was hij gestrand. Ik fietste door. Met mijn mond geopend en een oog gesloten tegen de sneeuw ploegde ik voort op een weg die gladder en gladder werd.
De allerlaatste bocht. Vanuit mijn ooghoeken zag ik, in een wereld waarin alles om mij heen bewoog,  het weerstation met de rood-witte mast er bovenop als baken van rust. Het laatste stuk, de finale veertig meter kon ik niet meer fietsen. IJs en sneeuw maakten van de weg een decor waar de banden van mijn racefiets zich geen raad mee wisten. Het laatste stuk legde ik lopend af. Ik parkeerde mijn fiets tegen het gebouw op de top, maakte een foto van mezelf en het paaltje welke aangaf dat ik op de top stond, en zocht een warm heenkomen. In het winkeltje op de top zag ik mijn blote benen steeds roder kleuren terwijl het gevoel in mijn vingers weer langzaam richting de vingertoppen kroop. Ik trof er een andere wielrenner. Ook aangedaan door het natuurgeweld maar nog helder genoeg om enkele souvenirs in te slaan. Zelf had ik geen geld bij me. De fietser, een Vlaming, was zo vriendelijk om voor mij een blikje cola te kopen. De top van de Mont Ventoux verbroedert. Zeker bij het soort weer waarin je het alleen niet redt.

De afdaling, nadat de sneeuwstorm was gaan liggen, voelde aan als een achtbaanrit door een reuzevrieskist. Lopend waar het moest en fietsend waar het kon, bibberde ik me een weg naar beneden. Naar het chalet. Naar de warmte.
Ik was op de top geweest. Op het dak van de Provence. Alle beelden boven waren in zwart en wit. En grijs, heel veel grijs. Langzaam kwamen de kleuren weer terug. In mij en om mij heen. Geen seconde heb ik het idee gehad dat ik de berg bedwongen had. Nee, de berg heeft het mij toegestaan om op de top te komen. En ze heeft me daarmee een ervaring gegeven die ik nooit meer zal vergeten.

woensdag 29 mei 2013

De mannenknot

Waar komen ze ineens vandaan? Elke dag worden het er meer en voorlopig lijkt het einde nog niet in zicht. Ik heb het over de mannenknot. Het stuk opgerold haar op de achterzijde van het hoofd. Het straatbeeld ziet er zwart van. Maar waar komen ze nou ineens allemaal vandaan? De geknotte mannen hebben niet van de een op de andere dag lang haar. Dat gaat, bij mij in ieder geval, niet zo rap. Sterker nog, na een maand of wat word ik het altijd zo zat dat ik weer een sprintje naar de kapper trek. De mannen met knotten zijn niet alleen gezegend met haar tot op de schouders maar meestal ook met volle baarden. Nog zo’n utopie voor mij. Dus ja, om de angel maar meteen uit de eventuele kritiek te halen; misschien is het wel de kift.

Maar dan nog. Opeens zijn ze er. Hebben de mannen gezamenlijk in een leegstaand warenhuis zitten afwachten tot hoofd- en baardharen lang genoeg waren om er mee naar buiten te treden? Of, beter nog, in een Limburgse mergelgrot? Gaf de man met het langste haar het startschot om naar buiten te treden met de lange manen nonchalant tot een knot gewikkeld?
Heel hip ziet het er uit. In 9 van de 10 gevallen wordt de styling vervolmaakt door er een broek bij te dragen die zo strak zit dat je er wat hoger door gaat praten en door een sjaal die losjes om de nek heen wordt gedrapeerd. Logisch natuurlijk want als je gewend bent om een vacht in je nek te dragen is het even wennen als je de vacht terugbrengt tot bolletje wol achter op het hoofd.

Gisteren werd in een artikel in NRC Next een link gelegd tussen deze zogenaamde hipsters en het populisme. Van beide hoop ik dat het van voorbijgaande aard is. Zodat ik, met kort haar en een matige baardgroei, weer kan toetreden tot het mondaine leven in de randstad.