Wat hadden ze het naar hun zin daar. Gebroederlijk naast elkaar. Voorzichtig de armen en schouders van de ander beroeren wanneer deze iets had gezegd dat op instemming kon rekenen en driftig knikkend luisterend naar een andere spreker om maar vooral de eensgezindheid uit te stralen.
Drie kleine kinderen waren het.
Drie kleine kleutertjes.
Als mijn in Parijs opgroeiende neefje en nichtje huilerig of niet lekker zijn is het zingen van 'Drie kleine kleutertjes' de beste remedie. Drie kleine kleutertjes die zaten op een hek, boven op een hek.
Drie kleine kleutertjes hadden bezit genomen van de zaal waarin zij spraken. Van de daar aanwezige media en van het land dat zij zeggen te willen dienen. Het was echter geen mooie zomerse dag in september maar een grijzige herfstdag die zich al tegen oktober aanschurkte. En ze hadden het niet over krekeltjes en korenbloemen blauw maar over immigratie en integratie en over de bezuinigingen op cultuur.
Maar het grootste verschil met de kleutertjes uit het liedje is dat zij onschuldig zijn. De drie kleine kleutertjes daar boven op dat hek zijn onschuldig. De drie mannen achter de kansels zijn dat niet. Zij zijn schuldig. Schuldig aan een messcherpe tweedeling van Nederland, schuldig aan het aanwakkeren van angst en schuldig aan het creƫren van het 'wij tegen zij' gevoel. De herfst is nog maar net begonnen maar voelt nu al aan als de strenge winter van het afgelopen jaar. Het belooft weer een hele koude periode te worden de komende tijd.
En voor mijn liefste neefje en nichtje die mogen opgroeien in Parijs hoop ik dat ze daar nog even mogen blijven. Nog maar even niet naar Nederland. Niet zolang drie kleine, boze kleutertjes het hier voor het zeggen hebben.