Buiten sneeuwt het. Binnen regent het onthullingen.
Wikileaks lekt nieuwsberichten als ware het een huis zonder dak geteisterd door stormachtige herfstbuien.
Alle aandacht gaat uit naar Wikileaks, de Amerikaanse minister Clinton die de rest van haar ambtsperiode waarschijnlijk bezig is de aangedane schade te repareren en de gevolgen van dit nieuws op macroniveau.
Op microniveau en in eigen land werd ik gisteren overvallen door het bericht dat een aantal goede doelen 'fout' beleggen. Uitgesproken VARA had een groot aantal goede doelen gevraagd waarin zij hun geld belegden en een klein aantal van hen gaf inzage in de stukken. Jantje Beton investeert in de tabaksindustrie, het Reumafonds onder andere in milieuvervuilende bedrijven en de Hartstichting in clustermunitie. Clustermunitie? Ja, clustermunitie. Volgens Wikipedia is een clusterbom een bom of granaat die maar liefst 200 kleine bommetjes in zich draagt en derhalve bij ontploffing een vernietigend effect heeft. Clustermunitie is dus buitengewoon rendabel. Ook voor de Hartstichting. Dat deze vorm van munitie in meer dan honderd landen inmiddels is verboden is een futiliteit.
Als ik aan de Hartstichting denk, denk ik aan de prima folders die ik van ze heb gekregen toen mijn vader met hartklachten in het ziekenhuis lag. Ik denk aan een organisatie die er op uit is mensenlevens te redden in plaats van ze te verminken. Aan een organisatie die het goede nastreeft in plaats van het slechte.
Het moet gezegd worden dat de Hartstichting een van de weinige organisaties was die inzage wilden geven in hun uitgaven en dat siert ze. Vanzelfsprekend roept dat de vraag op waarin de overige goede doelen investeren die hun uitgaven niet publiek willen maken. De Hartstichting gaf in een reactie aan geschrokken te zijn en zelf niet te hebben geweten dat het door hun geïnvesteerde geld werd gebruikt voor een van de meest verschrikkelijke wapens. Ze zullen er dan ook zorg voor dragen dat dit niet meer gebeurt. Het is, om prinses Máxima te citeren, 'een beetje dom' van de Hartstichting.
De afgelopen maand heb ik zelf kunnen zien wat voor een goed werk de Hartstichting doet voor patiënten en de mensen om hen heen. Ik stel dan ook voor om vooral te blijven doneren en eventueel de kanttekening erbij te plaatsen om het geld goed en duurzaam te investeren in plaats van in munitie. Want met een ontploffende clusterbom naast je houdt het werk voor de Hartstichting ook op.
dinsdag 30 november 2010
vrijdag 12 november 2010
Het Wachten
Ik ben het bijna verleerd, het wachten. Wachten doet me denken aan de grauwe zondagmiddagen van vroeger wanneer regenbuien tegen de ramen van mijn ouderlijk huis sloegen en je wist dat het een hele lange dag zou gaan worden. Een dag van wachten, wachten tot de dag voorbij zou zijn of de regen eindelijk zou stoppen.
Tegenwoordig is het wachten bijna uit mijn systeem verdwenen. En niet alleen uit het mijne. In de trein kijkt niemand meer wachtend naar buiten, naar niets, maar is men druk bezig de vingers in een moordend tempo over talloze touchscreens te laten glijden. Er wordt muziek geluisterd, gesproken met elkaar of getelefoneerd maar van wachten is geen sprake meer.
In de stad waar ik woon geven de verkeerslichten voor fietsers precies aan hoe lang je nog moet wachten. Vaak is dat net lang genoeg om nog even op mijn telefoon te kijken of er nieuwe mail binnen is gekomen. In de supermarkt waar ik mijn boodschappen doe is er het 'drie-in-de-rij-kassa-erbij' principe. Alles om het wachten tot een minimum te beperken.
Maar soms, soms moet je wel. Wachten. En geen telefoon, krant, boek of conversatie kan het wachten dan verzachten.
Aanstaande woensdag wordt mijn vader geopereerd. Mijn moeder, zus en ik kunnen dan niets anders doen dan wachten. Wachten op nieuws over de operatie van mijn vader die ervoor zorgde dat de grauwe zondagmiddagen van vroeger net iets aangenamer werden door het aanbieden van een glas 3 Es cola en een handvol chips uit een bakje van tupperware.
Tegenwoordig is het wachten bijna uit mijn systeem verdwenen. En niet alleen uit het mijne. In de trein kijkt niemand meer wachtend naar buiten, naar niets, maar is men druk bezig de vingers in een moordend tempo over talloze touchscreens te laten glijden. Er wordt muziek geluisterd, gesproken met elkaar of getelefoneerd maar van wachten is geen sprake meer.
In de stad waar ik woon geven de verkeerslichten voor fietsers precies aan hoe lang je nog moet wachten. Vaak is dat net lang genoeg om nog even op mijn telefoon te kijken of er nieuwe mail binnen is gekomen. In de supermarkt waar ik mijn boodschappen doe is er het 'drie-in-de-rij-kassa-erbij' principe. Alles om het wachten tot een minimum te beperken.
Maar soms, soms moet je wel. Wachten. En geen telefoon, krant, boek of conversatie kan het wachten dan verzachten.
Aanstaande woensdag wordt mijn vader geopereerd. Mijn moeder, zus en ik kunnen dan niets anders doen dan wachten. Wachten op nieuws over de operatie van mijn vader die ervoor zorgde dat de grauwe zondagmiddagen van vroeger net iets aangenamer werden door het aanbieden van een glas 3 Es cola en een handvol chips uit een bakje van tupperware.
vrijdag 5 november 2010
Vrijdag mopjesdag
Weet u waar ik een lesbische begraafplaats vindt?
Een beetje verward keek ik de kassier bij de Albert Heijn aan. Hij herhaalde zijn vraag.
Weet u waar ik een lesbische begraafplaats vindt? T is een mopje, voegde hij er snel aan toe.
Ah, een mopje, dacht ik. Ik zat te springen om een mopje.
Nee, antwoordde ik.
Jammer zei de kassier. Ik zoek namelijk nog potgrond. Nee hoor, dat zoek ik helemaal niet. Het ligt gewoon daar, en hij wees met zijn vinger naar de plek waar de zakken met potgrond lagen opgestapeld.
Ik heb geen potgrond nodig, zei ik, ik woon twee hoog.
Dan juist wel, zei de kassier.
Ik had niet direct een antwoord klaar.
Bonnetje mee meneer, vroeg hij.
Nee, dank je wel, zei ik.
De dialoog was vanuit het niets uit de hemel komen vallen en loste op in het niets. Ik dacht even aan Mulisch maar achtte de kans onwaarschijnlijk. Mulisch geloofde niet in een hemel.
Een beetje verward keek ik de kassier bij de Albert Heijn aan. Hij herhaalde zijn vraag.
Weet u waar ik een lesbische begraafplaats vindt? T is een mopje, voegde hij er snel aan toe.
Ah, een mopje, dacht ik. Ik zat te springen om een mopje.
Nee, antwoordde ik.
Jammer zei de kassier. Ik zoek namelijk nog potgrond. Nee hoor, dat zoek ik helemaal niet. Het ligt gewoon daar, en hij wees met zijn vinger naar de plek waar de zakken met potgrond lagen opgestapeld.
Ik heb geen potgrond nodig, zei ik, ik woon twee hoog.
Dan juist wel, zei de kassier.
Ik had niet direct een antwoord klaar.
Bonnetje mee meneer, vroeg hij.
Nee, dank je wel, zei ik.
De dialoog was vanuit het niets uit de hemel komen vallen en loste op in het niets. Ik dacht even aan Mulisch maar achtte de kans onwaarschijnlijk. Mulisch geloofde niet in een hemel.
Abonneren op:
Posts (Atom)